Which language do you want to learn?

Which language do you want to learn?

Dutch vocabulary for real estate and housing

Student annotating a Portuguese novel in library.

When diving into the world of real estate and housing in the Netherlands, it’s crucial to become familiar with the essential vocabulary. Whether you’re renting a flat, buying a house, or just trying to navigate the housing market in Dutch, this curated list of vocabulary will give you a solid foundation for understanding and discussing housing in the Dutch language.

Woning
A general term for a dwelling or place of residence.
Ik ben op zoek naar een nieuwe woning in Amsterdam.

Makelaar
A real estate agent involved in the sale and rental of properties.
De makelaar laat me morgen een paar huizen zien.

Huur
The noun for rent, referring to the amount paid to lease a property.
De huur van dit appartement is echt hoog.

Huren
The verb form of the term for rent, meaning to lease a property from someone.
Ik huur mijn appartement van een particuliere eigenaar.

Verhuurder
A landlord or the person from whom one rents a property.
De verhuurder heeft beloofd de kapotte verwarming te repareren.

Huurcontract
A rental agreement or lease between the landlord and tenant.
Mijn huurcontract loopt nog voor één jaar.

Koop
The noun for the purchase of a property.
De koop van een nieuwe woning is een grote investering.

Kopen
The verb meaning to buy a property.
Ik overweeg om een huis te kopen in plaats van te huren.

Verkoper
The seller or the person who is selling the property.
De verkoper heeft het bod op het huis geaccepteerd.

Koophuis
A privately owned home as opposed to a rented property.
We willen volgend jaar een koophuis in Utrecht zoeken.

Hypotheek
A mortgage or the loan taken out to purchase a property.
Ik moet elke maand hypotheek betalen voor mijn appartement.

Eigendom
Ownership or property, often used to denote that someone owns a home.
Het huis is nu in mijn eigendom.

Bezichtiging
A viewing or inspection of a property that’s for sale or rent.
We hebben morgen een bezichtiging van een mooie woning in de stad.

Verhuizen
The verb for moving, as in changing one’s place of residence.
Volgende maand ga ik verhuizen naar een groter appartement.

Woonruimte
A term for living space or accommodation.
Deze woonruimte is perfect voor een jong stel.

Vastgoed
Real estate or property as a form of investment.
Mijn broer werkt in het vastgoed.

Aanbetaling
A deposit or down payment, often made on a property purchase.
Ik heb een aanbetaling gedaan op het huis dat we leuk vinden.

Overdracht
Transfer or conveyance, often referring to the legal process of transferring property ownership.
De overdracht van de woning vindt volgende week plaats bij de notaris.

Onderhandelen
To negotiate, typically on the price of a property.
We zijn aan het onderhandelen over de prijs van het huis met de verkoper.

Bestemmingsplan
A zoning plan or the land-use plan of a municipality.
Het bestemmingsplan laat niet toe om hier een industrieel gebouw neer te zetten.

Understanding these terms is essential for anyone looking to immerse themselves in the Dutch housing market, whether for personal or professional reasons. By mastering this real estate vocabulary, you will find it easier to navigate the journey of finding your ideal living space in the Netherlands.

Talkpal is AI-powered language tutor. Learn 57+ languages 5x faster with revolutionary technology.