Exercise 1: Fill in the blanks with the correct verb of becoming
1. De bloemen *bloeien* (bloom) in het voorjaar.
2. Hij *wordt* (become) volgend jaar vijftig.
3. Het ijs *smelt* (melt) snel in de zon.
4. Deze theorie *bleek* (prove) onjuist te zijn.
5. De zon *gaat* (set) onder aan de horizon.
6. Zij *groeit* (grow) op in een liefdevol gezin.
7. Mijn koffie *wordt* (turn) koud als ik het te lang laat staan.
8. Het fruit *rijpt* (ripen) in de zomer.
9. Hij *raakt* (get) gewond tijdens de voetbalwedstrijd.
10. De baby *valt* (fall) in slaap na het voeden.
11. Zij *verandert* (change) van baan nadat ze verhuist.
12. De lamp *gaat* (go) stuk als hij op de grond valt.
13. Het water *verdampt* (evaporate) bij verhitting.
14. De prijs *daalt* (drop) na de feestdagen.
15. Mijn zicht *verbetert* (improve) na het dragen van een bril.
Exercise 2: Fill in the blanks with the correct verb of becoming
1. Hij *sluit* (close) de deur achter zich.
2. Zij *komt* (become) bekend te staan als een expert in haar vakgebied.
3. Het gebouw *stort* (collapse) in na de aardbeving.
4. De sneeuw *verandert* (change) in regen als de temperatuur stijgt.
5. Het gras *verdort* (wither) tijdens de droogte.
6. De temperatuur *stijgt* (rise) snel op een warme dag.
7. Het varken *verandert* (transform) in een prachtige prins.
8. De muziek *wordt* (become) luider als hij de radio aanzet.
9. Het glas *breekt* (break) wanneer het op de grond valt.
10. De camera *zoomt* (zoom) in op het gezicht van de actrice.
11. Het papier *blijkt* (turn out) van slechte kwaliteit te zijn.
12. De soep *koelt* (cool) af als je er ijs aan toevoegt.
13. De batterij *laadt* (charge) op als je de stekker in het stopcontact steekt.
14. Hij *neemt* (increase) zijn snelheid toe tijdens de race.
15. De spanning *bouwt* (build) op als de film vordert.