Exercise 1: Simple Past conjugation of regular verbs
1. Hij *werkte* (work) gisteren.
2. Wij *speelden* (play) voetbal vorige week.
3. Zij *kookte* (cook) een heerlijk diner.
4. Jullie *dansten* (dance) op het feest.
5. Ik *luisterde* (listen) naar muziek.
6. De kinderen *zwommen* (swim) in het zwembad.
7. Mijn ouders *reisden* (travel) vorig jaar naar Frankrijk.
8. Tom *kocht* (buy) een nieuwe auto.
9. Julie *leerde* (learn) voor haar examen.
10. De zon *scheen* (shine) gisteren.
11. Onze kat *sprong* (jump) op de bank.
12. Het team *won* (win) de wedstrijd.
13. De trein *vertrok* (depart) op tijd.
14. Ze *huurden* (rent) een huisje aan het meer.
15. We *vierden* (celebrate) mijn verjaardag.
Exercise 2: Simple Past conjugation of irregular verbs
1. Gisteren *bezocht* (visit) ik mijn grootouders.
2. Ik *had* (have) een lange dag op het werk.
3. Zij *kwam* (come) laat thuis.
4. We *bleven* (stay) op het strand tot zonsondergang.
5. Jij *kreeg* (get) een e-mail van je vriendin.
6. Jan *schreef* (write) een brief aan zijn broer.
7. Het meisje *droeg* (wear) een rode jurk.
8. De hond *liep* (walk) in het park.
9. Opa *las* (read) het nieuws in de krant.
10. Jij *vergat* (forget) je paraplu.
11. Hij *ging* (go) naar de markt.
12. Ik *droeg* (carry) de zware tas naar boven.
13. Nina *bracht* (bring) een taart voor het feest.
14. Zij *moest* (must) naar de dokter.
15. Peter *vond* (find) een verloren sleutel.