Exercise 1: Past Participle
1. Ik heb het nieuws *gehoord* (hear) op de radio.
2. Wij hebben gisteren in de stad *gewandeld* (walk).
3. Zij heeft haar fiets *verkocht* (sell) omdat ze een nieuwe wilde kopen.
4. De kat heeft de muis *gevangen* (catch) in de keuken.
5. Hij heeft het eiland in de zomer *bezocht* (visit).
6. Onze vrienden hebben een feest *georganiseerd* (organize) voor hun verjaardag.
7. Mijn broer heeft een prachtig schilderij *gemaakt* (create) voor de expositie.
8. De kinderen hebben in het park *gespeeld* (play) nadat hun huiswerk af was.
9. De chef-kok heeft het gerecht *bereid* (prepare) met de beste ingrediรซnten.
10. U heeft uw taak *voltooid* (complete) met succes.
11. De politie heeft de verdachte *gearresteerd* (arrest) in de vroege ochtend.
12. Het team heeft de wedstrijd *gewonnen* (win) met een score van 4-3.
13. De operazanger heeft een prachtige aria *gezongen* (sing) tijdens het concert.
14. De architect heeft het nieuwe gebouw *ontworpen* (design) in een moderne stijl.
15. De regisseur heeft zijn nieuwste film *geregisseerd* (direct) met veel passie en toewijding.
Exercise 2: Present Participle
1. De *werkende* (working) moeder is altijd bezig met haar kinderen en haar baan.
2. De *kokende* (boiling) pan met water staat op het fornuis.
3. De *gillende* (screaming) kinderen maakten het moeilijk om je te concentreren.
4. Zij droeg een *glimlachende* (smiling) gezicht tijdens het hele feest.
5. De *rennende* (running) hond volgde de fiets op de straat.
6. De *groeiende* (growing) bloemen geven kleur aan onze tuin.
7. Het *schijnende* (shining) zonlicht maakte het moeilijk om te zien.
8. Het *regenende* (raining) weer maakte dat iedereen binnen bleef.
9. De *dansende* (dancing) menigte genoot van de livemuziek op het festival.
10. De *snorrende* (purring) kat strekte zich uit op de warme vloer.
11. De *waaiende* (blowing) wind verspreidde de bladeren over het trottoir.
12. De *spelende* (playing) muzikanten leidden het publiek door hun optreden.
13. Het *stromende* (flowing) water vulde de fontein.
14. De *skieรซnde* (skiing) toeristen genoten van de besneeuwde hellingen.
15. Het *golven* (waving) gras in de wind was een rustgevend gezicht.