Exercise 1: Conjugation of Hebben – Present Tense
1. Ik __(1)__*heb*(have) een auto.
2. Jij __(2)__*hebt*(have) een fiets.
3. Hij/Zij/Het __(3)__*heeft*(has) een hond.
4. Wij/Jullie/Zij __(4)__*hebben*(have) een groot huis.
5. Mijn vriendin __(5)__*heeft*(has) een mooie jurk.
6. De kinderen __(6)__*hebben*(have) een grote tuin.
7. U __(7)__*heeft*(have) een interessant boek.
8. De kat __(8)__*heeft*(has) een zachte vacht.
9. Ik __(9)__*heb*(have) veel vrienden.
10. Mijn broer __(10)__*heeft*(has) twee kinderen.
11. Zij __(11)__*hebben*(have) een leuk feestje.
12. De studenten __(12)__*hebben*(have) een lange tekst.
13. De leraar __(13)__*heeft*(has) veel geduld.
14. Wij __(14)__*hebben*(have) een nieuwe keuken.
15. Jullie __(15)__*hebben*(have) het goed gedaan.
Exercise 2: Conjugation of Hebben – Past Tense
1. Ik __(1)__*had*(had) een oude auto.
2. Jij __(2)__*had*(had) een kleine fiets.
3. Hij/Zij/Het __(3)__*had*(had) geen geld.
4. Wij/Jullie/Zij __(4)__*hadden*(had) een fantastische vakantie.
5. De koningin __(5)__*had*(had) een mooi paleis.
6. De meisjes __(6)__*hadden*(had) lange haren.
7. U __(7)__*had*(had) een lekkere lunch.
8. De vogel __(8)__*had*(had) heldere kleuren.
9. Ik __(9)__*had*(had) een zwaar examen.
10. Mijn oom __(10)__*had*(had) een grote boerderij.
11. Zij __(11)__*hadden*(had) een nieuwe auto gekocht.
12. De leraren __(12)__*hadden*(had) een vergadering.
13. De dokter __(13)__*had*(had) geen tijd.
14. Wij __(14)__*hadden*(had) een lange reis.
15. Jullie __(15)__*hadden*(had) een prachtige dag.