Exercise 1: Dutch Word Order
1. Ik *werk* (work) elke dag op het kantoor.
2. Zij *speelt* (plays) gitaar in de band.
3. Wij *wonen* (live) in een groot huis.
4. De kinderen *slapen* (sleep) in hun slaapkamer.
5. We *gaan* (go) morgen naar de film.
6. Mijn moeder *kookt* (cooks) heerlijk eten.
7. Jij *drinkt* (drink) elke avond thee.
8. De kat *springt* (jumps) op de stoel.
9. Hij *leest* (reads) de krant tijdens het ontbijt.
10. De leraar *geeft* (gives) ons huiswerk.
11. Zij *lopen* (walk) langs het strand.
12. U *moet* (must) vroeg opstaan morgen.
13. Hij *reist* (travels) vaak voor zijn werk.
14. De hond *blaft* (barks) als de deurbel gaat.
15. Mijn vriendin *houdt* (holds/keeps) van klassieke muziek.
Exercise 2: Verb Conjugation