Exercise 1: Comparatives โ Fill in the Blank
1. Jouw huis is *groter* (bigger) dan mijn huis.
2. Hij is *sneller* (faster) dan zijn zus.
3. De film was *beter* (better) dan het boek.
4. Het weer is vandaag *kouder* (colder) dan gisteren.
5. Haar jurk is *mooier* (prettier) dan mijn jurk.
6. Deze appels zijn *zoeter* (sweeter) dan die.
7. Dit is de *duurder* (more expensive) optie.
8. Onze leraar is *ouder* (older) dan de andere leraar.
9. De wijn smaakte *lekkerder* (tastier) dan het bier.
10. Ik moet harder *werken* (work) om het af te krijgen.
11. Zij loopt altijd *langzamer* (slower) dan hij.
12. Dit boek is *interessanter* (more interesting) dan het vorige.
13. Hij is *gelukkiger* (happier) dan ooit tevoren.
14. Voor ons is deze optie *beter* (better) dan de andere.
15. De appeltaart smaakte *zoeter* (sweeter) dan de aardbeientaart.
Exercise 2: Comparatives โ Fill in the Blank
1. Zij is *slimmer* (smarter) dan haar broer.
2. De koffie was *warmer* (hotter) dan de thee.
3. De zomervakantie duurt *langer* (longer) dan de wintervakantie.
4. Mijn zus is *jonger* (younger) dan ik.
5. Dit tijdschrift is *grappiger* (funnier) dan dat tijdschrift.
6. Jouw fiets is *sneller* (faster) dan mijn motor.
7. Het nieuwe restaurant is *beter* (better) dan het oude.
8. Zijn presentatie was *duidelijker* (clearer) dan de vorige.
9. Dit computerspel is *spannender* (more exciting) dan de vorige.
10. De oefening is *moeilijker* (more difficult) dan verwacht.
11. Deze stad is *groter* (bigger) dan de vorige stad.
12. Amsterdam is *drukker* (busier) dan Utrecht.
13. De muziek is *luider* (louder) dan het gesprek.
14. Ik voel mij *beter* (better) dan gisteren.
15. Dat restaurant is *goedkoper* (cheaper) dan het andere.