Futur simple Oefeningen voor Franse grammatica

De Franse ‘Futur Simple’ is een tijd die gebruikt wordt om te praten over geplande acties of gebeurtenissen die in de toekomst zullen plaatsvinden. Deze tijd is vergelijkbaar met de toekomstige tijd in het Nederlands en wordt gevormd door de infinitief van een werkwoord te combineren met de toekomstige vervoegingen van de hulpwerkwoorden ‘avoir’ en ‘être’. Het is een belangrijk onderdeel van de Franse grammatica en essentieel voor diegenen die hun vaardigheden in de Franse taal willen verbeteren.

In de volgende oefeningen zult u oefenen met het vervoegen van Franse werkwoorden in de ‘Futur Simple’. Dit zal u helpen om beter te begrijpen hoe u toekomstige acties in het Frans kunt uitdrukken. Onder elke zin is een hint gegeven om u te helpen met de juiste vervoeging van het werkwoord. Veel succes met deze oefeningen in de Franse ‘Futur Simple’!

Oefening 1: Vervoegen in de Futur Simple

Demain, je *mangerai* (eten) à la maison.

Vous *finirez* (afmaken) ce rapport la semaine prochaine.

Il *prendra* (nemen) le train de 18 heures.

Nous *irons* (gaan) en France pour les vacances.

Elle *sera* (zijn) docteur dans deux ans.

Les enfants *feront* (doen) leurs devoirs après l’école.

Tu *liras* (lezen) ce livre demain soir?

La terre *tournera* (draaien) toujours autour du soleil.

Je *verrai* (zien) mes amis ce week-end.

Elle *écrira* (schrijven) une lettre à sa grand-mère.

Ils *choisiront* (kiezen) le gâteau au chocolat.

Nous *aurons* (hebben) besoin de plus de temps.

Tu *apprendras* (leren) à jouer du piano.

Le soleil *se lèvera* (opkomen) à six heures demain.

Il *fera* (doen) chaud cet été.

Oefening 2: Vervoegen in de Futur Simple met Irreguliere Werkwoorden

Après que tu *auras* (hebben) fini tes devoirs, nous pourrons sortir.

Quand ils *seront* (zijn) arrivés, nous commencerons à manger.

Dès que la pluie *cessera* (stoppen), je sortirai faire une promenade.

Je pense que nous *saurons* (weten) la vérité bientôt.

Elle *devra* (moeten) prendre une décision avant demain.

Tu *verras* (zien) la différence quand tu changerás tes habitudes.

La semaine prochaine, nous *irons* (gaan) au musée.

Je *ferai* (doen) tout mon possible pour aider.

Il *dira* (zeggen) la vérité à ses parents.

Nous *viendrons* (komen) te voir dès que possible.

Avant que tu ne *partes* (vertrekken), donne-moi un coup de téléphone.

Demain, il *fera* (doen) probablement plus froid.

Quand tu *seras* (zijn) prêt, fais-moi signe.

Elles *pourront* (kunnen) choisir le film que nous regarderons.

Je ne pense pas qu’il *vienne* (komen) à la fête.

Grammatica-oefeningen

Grammatica

[related_child_taxonomies]

Leer 5x sneller een taal met AI

TalkPal is een AI-gestuurde taaltutor. Leer 57+ talen 5x sneller met revolutionaire technologie.