Cláusulas Relativas Oefeningen voor de Portugese grammatica - Talkpal
00 Dagen D
16 Uren H
59 Minuten M
59 Seconden S
Talkpal logo

Leer sneller talen met AI

Talkpal maakt van AI jouw persoonlijke taalcoach

Learn Languages faster with AI
Flag of England Flag of Spain Flag of France Flag of Germany Flag of Italy
80+ Talen

Cláusulas Relativas Oefeningen voor de Portugese grammatica

In deze oefeningen leer je hoe je relatieve bijzinnen (cláusulas relativas) in het Portugees correct gebruikt. Relatieve bijzinnen verbinden twee zinnen door een woord als “que”, “quem”, “onde”, “cujo” te gebruiken, en geven extra informatie over een zelfstandig naamwoord. Let goed op welk betrekkelijk voornaamwoord je moet gebruiken afhankelijk van de context.

A man in a brown sweater uses a tablet and books for learning languages in a quiet library setting.
Promotional background

De meest efficiënte manier om een taal te leren

Probeer Talkpal gratis

Cláusulas Relativas – Oefening 1

1. A mulher *que* está falando é minha professora. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor personen)
2. O livro *que* eu li ontem é muito interessante. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor dingen)
3. A casa *onde* eu moro fica perto do parque. (Gebruik het relatieve bijwoord van plaats)
4. O homem *quem* você viu é meu tio. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor mensen na een voorzetsel)
5. A cidade *cujo* prefeito foi eleito é muito bonita. (Gebruik het bezit aanduidende relatieve voornaamwoord)
6. A criança *que* brinca no parque é minha sobrinha. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor personen)
7. O filme *que* assistimos ontem foi emocionante. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor dingen)
8. A escola *onde* eu estudei fechou no ano passado. (Gebruik het relatieve bijwoord van plaats)
9. O amigo *quem* me ajudou chegou cedo. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor mensen na een voorzetsel)
10. O escritor *cujo* livro ganhou o prêmio é famoso. (Gebruik het bezit aanduidende relatieve voornaamwoord)

Cláusulas Relativas – Oefening 2

1. O carro *que* está na garagem é novo. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor dingen)
2. A mulher *quem* trabalha aqui é muito simpática. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor mensen na een voorzetsel)
3. A cidade *onde* nasci é pequena. (Gebruik het relatieve bijwoord van plaats)
4. O menino *que* ganhou o prêmio é meu irmão. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor personen)
5. O professor *cujo* livro estudamos é muito respeitado. (Gebruik het bezit aanduidende relatieve voornaamwoord)
6. A festa *que* aconteceu ontem foi divertida. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor dingen)
7. A casa *onde* passamos as férias é confortável. (Gebruik het relatieve bijwoord van plaats)
8. O homem *quem* você falou é meu vizinho. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor mensen na een voorzetsel)
9. A menina *que* canta bem vai participar do concurso. (Gebruik het relatieve voornaamwoord voor personen)
10. O artista *cujo* quadro foi vendido é famoso mundialmente. (Gebruik het bezit aanduidende relatieve voornaamwoord)
Learning section image (nl)
Download talkpal app

Altijd en overal leren

Talkpal is jouw AI-taaltutor, beschikbaar op web en mobiel. Krijg de taal sneller onder de knie, klets over interessante onderwerpen via tekst of spraak en ontvang realistische stemberichten, waar en wanneer je maar wilt.

Learning section image (nl)

Scannen met uw apparaat om te downloaden op iOS of Android

Learning section image (nl)

Neem contact met ons op

We zijn er altijd voor je als je vragen hebt of hulp nodig hebt. Neem op elk moment contact op met onze klantenservice via support@talkpal.ai

Talen

Leren


Talkpal, Inc., 2810 N Church St, Wilmington, Delaware 19802, US

© 2026 All Rights Reserved.


Trustpilot