Exercise 1: Verb conjugation
Exercise 2: Irregular verbs
1. Ik *ben* (am) blij.
2. Zij *doet* (does) haar huiswerk.
3. Hij *is* (is) ziek.
4. De kat *weet* (knows) de weg.
5. Jullie *gaan* (go) naar het museum.
6. U *zet* (put) de bloemen op tafel.
7. Ik *kan* (can) niet slapen.
8. Jij *wil* (want) een kopje koffie.
9. We *moeten* (must) weg.
10. Mijn zus *heeft* (has) een nieuwe job.
11. Hij *vindt* (finds) het boek niet leuk.
12. Ze *staat* (stands) op het balkon.
13. Ik *kom* (come) uit Nederland.
14. Jij *zegt* (say) altijd de waarheid.
15. U *draagt* (wear) een mooie jurk.