Perfecto Oefeningen voor Spaanse grammatica

Het leren van de Spaanse taal omvat het beheersen van verschillende tijden en grammaticale constructies. Een belangrijk aspect hiervan is de perfecto, een tijd die wordt gebruikt om handelingen te beschrijven die in het verleden zijn voltooid maar nog steeds relevant zijn in het heden, of die recent zijn afgerond. Het is vergelijkbaar met de voltooid tegenwoordige tijd in het Nederlands.

De oefeningen hieronder zijn ontworpen om het gebruik van de perfecto te oefenen. Door deze zinnen te completeren, kunnen studenten niet alleen hun begrip van deze tijd verbeteren, maar ook de juiste vervoeging van het hulpwerkwoord ‘haber’ samen met het voltooid deelwoord gebruiken. Vergeet niet dat het voltooid deelwoord moet overeenkomen in geslacht en getal met het onderwerp indien het een reflexieve vorm betreft.

Oefening 1: Vul de juiste vorm van het perfecto in

1. Yo *he* (hebben) estudiado para el examen de español.

2. Nosotros *hemos* (hebben) visto esa película tres veces.

3. ¿Tú ya *has* (hebben) comido?

4. Ellas no *han* (hebben) llegado todavía.

5. ¿*Ha* (hebben) llamado mi hermano?

6. Yo no *he* (hebben) recibido ninguna carta.

7. ¿Qué libro *has* (hebben) leído recientemente?

8. Ustedes *han* (hebben) terminado el trabajo, ¿verdad?

9. ¿Cuántos países *habéis* (hebben – jullie) visitado?

10. Mi madre todavía no *ha* (hebben) vuelto de la tienda.

11. El profesor *ha* (hebben) explicado la lección muy bien.

12. ¿*Han* (hebben) hecho ya la tarea los niños?

13. Esta mañana yo *he* (hebben) perdido las llaves.

14. Vosotros *habéis* (hebben) aprendido mucho este año.

15. Ellos nunca *han* (hebben) estado en Francia.

Oefening 2: Vul het juiste voltooid deelwoord in

1. Hemos *comido* (eten) demasiado.

2. ¿Has *visto* (zien) la nueva película de Almodóvar?

3. Ella *ha escrito* (schrijven) un libro interesante.

4. Yo *he hecho* (doen) todos los deberes.

5. Ellos no *han dicho* (zeggen) la verdad.

6. Usted ha *bebido* (drinken) sólo un poco de agua.

7. Tú *has vivido* (leven) en España por un año, ¿no es así?

8. Nosotros *hemos viajado* (reizen) por muchos países.

9. ¿Habéis *oído* (horen) las últimas noticias?

10. Él *ha abierto* (openen) la tienda esta mañana.

11. Yo ya *he leído* (lezen) ese libro.

12. Ellas *han venido* (komen) a la fiesta sin invitación.

13. Nosotros *hemos perdido* (verliezen) el autobús.

14. Tú *has corrido* (rennen) un maratón este año.

15. Vosotros *habéis conocido* (kennen) a muchas personas interesantes.

Grammatica-oefeningen

Grammatica

[related_child_taxonomies]

Leer 5x sneller een taal met AI

TalkPal is een AI-gestuurde taaltutor. Leer 57+ talen 5x sneller met revolutionaire technologie.