Oefeningen met intransitieve werkwoorden voor de Deense grammatica - Talkpal
00 Dagen D
16 Uren H
59 Minuten M
59 Seconden S
Talkpal logo

Leer sneller talen met AI

Talkpal maakt van AI jouw persoonlijke taalcoach

Learn Languages faster with AI
Flag of England Flag of Spain Flag of France Flag of Germany Flag of Italy
80+ Talen

Oefeningen met intransitieve werkwoorden voor de Deense grammatica

In deze oefeningen ga je oefenen met intransitieve werkwoorden in het Deens. Intransitieve werkwoorden zijn werkwoorden die geen lijdend voorwerp nodig hebben. Ze beschrijven vaak een beweging, een toestand of een verandering. Let goed op het juiste werkwoord en de tijd in elke zin.

An older man wears headphones while learning languages on a laptop at his kitchen table.
Promotional background

De meest efficiënte manier om een taal te leren

Probeer Talkpal gratis

Oefening 1: Intransitieve werkwoorden in de tegenwoordige tijd

1. Han *løber* hver morgen i parken. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘rennen’ in de tegenwoordige tijd)
2. Vi *sover* normalt otte timer om natten. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘slapen’ in de tegenwoordige tijd)
3. Børnene *leger* udenfor i haven. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘spelen’ in de tegenwoordige tijd)
4. Hun *sidder* på stolen og læser en bog. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘zitten’ in de tegenwoordige tijd)
5. Fuglene *flyver* højt på himlen. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘vliegen’ in de tegenwoordige tijd)
6. Han *står* ved døren og venter. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘staan’ in de tegenwoordige tijd)
7. Vi *går* til stranden om sommeren. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘lopen/gaan’ in de tegenwoordige tijd)
8. Blomsterne *vokser* hurtigt i haven. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘groeien’ in de tegenwoordige tijd)
9. Hun *smiler* når hun ser sin ven. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘glimlachen’ in de tegenwoordige tijd)
10. Børnene *hopper* op og ned af glæde. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘springen’ in de tegenwoordige tijd)

Oefening 2: Intransitieve werkwoorden in de verleden tijd

1. Han *løb* hurtigt til bussen i går. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘rennen’ in de verleden tijd)
2. Vi *sov* længe i weekenden. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘slapen’ in de verleden tijd)
3. Børnene *legede* i sneen sidste vinter. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘spelen’ in de verleden tijd)
4. Hun *sad* stille i klassen. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘zitten’ in de verleden tijd)
5. Fuglene *fløj* over søen i morges. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘vliegen’ in de verleden tijd)
6. Han *stod* udenfor huset hele dagen. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘staan’ in de verleden tijd)
7. Vi *gik* en lang tur i skoven. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘lopen/gaan’ in de verleden tijd)
8. Blomsterne *voksede* hurtigt sidste sommer. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘groeien’ in de verleden tijd)
9. Hun *smilte* da hun hørte nyheden. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘glimlachen’ in de verleden tijd)
10. Børnene *hoppede* af glæde efter festen. (Gebruik het Deense werkwoord voor ‘springen’ in de verleden tijd)
Learning section image (nl)
Download talkpal app

Altijd en overal leren

Talkpal is jouw AI-taaltutor, beschikbaar op web en mobiel. Krijg de taal sneller onder de knie, klets over interessante onderwerpen via tekst of spraak en ontvang realistische stemberichten, waar en wanneer je maar wilt.

Learning section image (nl)

Scannen met uw apparaat om te downloaden op iOS of Android

Learning section image (nl)

Neem contact met ons op

We zijn er altijd voor je als je vragen hebt of hulp nodig hebt. Neem op elk moment contact op met onze klantenservice via support@talkpal.ai

Talen

Leren


Talkpal, Inc., 2810 N Church St, Wilmington, Delaware 19802, US

© 2026 All Rights Reserved.


Trustpilot