Infinitivo Oefeningen voor Spaanse grammatica

Infinitieven zijn in elke taal een fundamentele grammaticale bouwsteen, en Spaans is geen uitzondering. In het Spaans eindigen infinitieven altijd op -ar, -er, of -ir en kunnen gebruikt worden in verschillende constructies. Ze kunnen alleen staan of in combinatie met andere werkwoordsvormen, vaak om intentie, mogelijkheid of noodzaak uit te drukken. In de volgende oefeningen zullen we ons richten op het correcte gebruik van de Spaanse infinitief en de veelzijdigheid ervan binnen de context van een zin.

De infinitivo is essentieel voor het begrijpen van de basis van de Spaanse grammatica. Het is belangrijk voor iedereen die Spaans leert om de regels en het gebruik van de infinitief goed te beheersen. Deze oefeningen zijn ontworpen om je kennis van het gebruik van de Spaanse infinitief te testen en te verbeteren. Laten we beginnen met een aantal zinnen waarin je de juiste infinitiefvorm moet invullen.

Oefening 1: Invullen met de juiste infinitief

Me gusta *nadar* (werkwoord).

Voy a *estudiar* (werkwoord) para el examen mañana.

Es importante *comer* (werkwoord) saludable.

No se prohibe *fumar* (werkwoord) en este área.

Acabamos de *ver* (werkwoord) la película.

Antes de *salir* (werkwoord), apaga la luz.

Acabo de *comprar* (werkwoord) una casa nueva.

Ellos están listos para *empezar* (werkwoord) el proyecto.

Espero *poder* (werkwoord) asistir a tu fiesta.

Después de *trabajar* (werkwoord), voy directo a casa.

Tenemos que *ser* (werkwoord) más responsables con el medio ambiente.

Roberto ama *viajar* (werkwoord) por el mundo.

Quiero *tener* (werkwoord) mi propio negocio algún día.

Ellas decidieron *ir* (werkwoord) al gimnasio juntas.

¿Te importaría *cerrar* (werkwoord) la ventana?

Oefening 2: Infinitieven in context

Para *mantener* (werkwoord) la salud, es esencial hacer ejercicio.

Deberías *considerar* (werkwoord) todas las opciones antes de decidir.

Acaban de *anunciar* (werkwoord) una nueva ley.

No olvides *traer* (werkwoord) tu pasaporte al aeropuerto.

Estoy intentando *dejar* (werkwoord) de fumar.

Niños, no pueden *tocar* (werkwoord) eso, es peligroso.

Me encantaría *aprender* (werkwoord) a tocar el piano.

Hay que *saber* (werkwoord) cuándo es el momento adecuado para actuar.

Podemos *quedar* (werkwoord) para cenar cualquier día de la semana.

Los jugadores van a *entrenar* (werkwoord) intensamente para el partido.

Su objetivo es *reducir* (werkwoord) costos sin afectar la calidad.

Después de *leer* (werkwoord), siempre anoto mis pensamientos.

Al *ser* (werkwoord) honestos, ganamos la confianza de los demás.

Está prohibido *entrar* (werkwoord) a esta área restringida.

Es difícil *encontrar* (werkwoord) un buen café en esta ciudad.

Grammatica-oefeningen

Grammatica

[related_child_taxonomies]

Leer 5x sneller een taal met AI

TalkPal is een AI-gestuurde taaltutor. Leer 57+ talen 5x sneller met revolutionaire technologie.