1. Algemene Groeten en Basiscommunicatie
Om een gesprek te beginnen en beleefd te zijn, is het belangrijk om enkele basisgroeten en uitdrukkingen te kennen.
1. Namaste (नमस्ते) – Hallo / Tot ziens
2. Dhanyabad (धन्यवाद) – Dank u
3. Maaf garnus (माफ गर्नुस्) – Sorry / Excuseer mij
4. Sanchai hunuhunchha? (सन्चै हुनुहुन्छ?) – Hoe gaat het met u?
5. Sanchai chhu (सन्चै छु) – Het gaat goed
2. Familie en Relaties
Het begrijpen van familieleden en relaties is cruciaal voor het voeren van gesprekken over persoonlijke zaken.
6. Baa (बाबा) – Vader
7. Aama (आमा) – Moeder
8. Bhai (भाइ) – Broer
9. Bahini (बहिनी) – Zus
10. Shrimaan (श्रीमान्) – Echtgenoot
11. Shrimati (श्रीमती) – Echtgenote
3. Nummers en Tellen
Basisnummers zijn essentieel voor verschillende dagelijkse activiteiten zoals winkelen, reizen en afspraken maken.
12. Ek (एक) – Eén
13. Dui (दुई) – Twee
14. Tin (तीन) – Drie
15. Chaar (चार) – Vier
16. Paanch (पाँच) – Vijf
17. Chha (छ) – Zes
18. Saat (सात) – Zeven
19. Aath (आठ) – Acht
20. Nau (नौ) – Negen
21. Das (दस) – Tien
4. Dagen van de Week en Tijden
Het kennen van de dagen van de week en basistijdsaanduidingen helpt bij het plannen en communiceren over dagelijkse schema’s.
22. Aaitabar (आइतबार) – Zondag
23. Sombar (सोमबार) – Maandag
24. Mangalbar (मंगलबार) – Dinsdag
25. Budhbar (बुधबार) – Woensdag
26. Bihibar (बिहिबार) – Donderdag
27. Shukrabar (शुक्रबार) – Vrijdag
28. Sanibar (शनिबार) – Zaterdag
29. Bihana (बिहान) – Ochtend
30. Dina (दिन) – Dag
31. Sanjh (साँझ) – Avond
32. Raat (रात) – Nacht
5. Eten en Drinken
Voedsel en drinken zijn een groot deel van elke cultuur. Hier zijn enkele woorden die u moet kennen.
33. Khana (खाना) – Eten
34. Pani (पानी) – Water
35. Chiya (चिया) – Thee
36. Dudh (दूध) – Melk
37. Bhath (भात) – Rijst
38. Tarkari (तरकारी) – Groenten
39. Masu (मासु) – Vlees
6. Vervoer en Reizen
Bij het reizen is het belangrijk om de juiste woorden te kennen om zich te verplaatsen en te navigeren.
40. Gadi (गाडी) – Auto
41. Bus (बस) – Bus
42. Yatra (यात्रा) – Reizen
43. Biman (विमान) – Vliegtuig
44. Railgaadi (रेलगाडी) – Trein
45. Tiket (टिकट) – Kaartje
7. Basiswerkwoorden
Werkwoorden zijn de ruggengraat van elke taal. Hier zijn enkele basiswerkwoorden die u moet kennen.
46. Hunu (हुनु) – Zijn
47. Garnu (गर्नु) – Doen
48. Khana (खानु) – Eten
49. Padhna (पढ्नु) – Lezen
50. Bolnu (बोल्नु) – Spreken
Conclusie
Het leren van deze 50 essentiële woorden en zinnen zal u helpen om beter te communiceren in het Nepalees en een solide basis te leggen voor verdere taalstudie. Oefen deze woorden regelmatig, gebruik ze in dagelijkse gesprekken, en u zult merken dat uw zelfvertrouwen in het spreken van Nepalees aanzienlijk zal toenemen. Veel succes met uw taalreis!
