Dagelijkse uitdrukkingen
Het beheersen van dagelijkse uitdrukkingen is cruciaal voor elke taal. Hier zijn enkele Marathi-woorden en uitdrukkingen die u vaak zult gebruiken:
– Namaskar (नमस्कार) – Hallo
– Kasa aahes? (कसा आहेस?) – Hoe gaat het met je? (informeel)
– Kase aahat? (कसे आहात?) – Hoe gaat het met u? (formeel)
– Ho (हो) – Ja
– Nahi (नाही) – Nee
– Dhanyavad (धन्यवाद) – Dank u
– Kripaya (कृपया) – Alstublieft
– Maf kara (माफ करा) – Sorry
Familie en relaties
In Marathi speelt familie een centrale rol in het dagelijks leven. Hier zijn enkele belangrijke woorden met betrekking tot familie en relaties:
– Aai (आई) – Moeder
– Baba (बाबा) – Vader
– Bhagin (भगिनी) – Zus
– Bhau (भाऊ) – Broer
– Patni (पत्नी) – Echtgenote
– Patil (पती) – Echtgenoot
– Mulga (मुलगा) – Zoon
– Mulgi (मुलगी) – Dochter
Getallen en tellen
Het kunnen tellen en getallen herkennen is een basisvaardigheid in elke taal. Hier zijn de getallen van één tot tien in Marathi:
– Ek (एक) – Eén
– Don (दोन) – Twee
– Teen (तीन) – Drie
– Char (चार) – Vier
– Paanch (पाच) – Vijf
– Saha (सहा) – Zes
– Saat (सात) – Zeven
– Aath (आठ) – Acht
– Nau (नऊ) – Negen
– Daha (दहा) – Tien
Basale werkwoorden
Werkwoorden zijn de ruggengraat van elke zin. Hier zijn enkele veelvoorkomende werkwoorden in Marathi:
– Karna (करना) – Doen
– Bolna (बोलना) – Spreken
– Jana (जाना) – Gaan
– Aana (आना) – Komen
– Khana (खाना) – Eten
– Pina (पीना) – Drinken
– Vicharna (विचारना) – Vragen
– Samajhna (समजना) – Begrijpen
Bijvoeglijke naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden helpen om de eigenschappen van zelfstandig naamwoorden te beschrijven. Hier zijn enkele nuttige bijvoeglijke naamwoorden in Marathi:
– Mothi (मोठी) – Groot
– Choti (छोटी) – Klein
– Changla (चांगला) – Goed
– Vait (वाईट) – Slecht
– Navin (नवीन) – Nieuw
– Juna (जुना) – Oud
– Goda (गोड) – Zoet
– Tikhat (तिखट) – Pittig
Voorzetsels en bijwoorden
Voorzetsels en bijwoorden zijn essentieel voor het beschrijven van relaties tussen woorden en voor het aanpassen van werkwoorden. Hier zijn enkele voorbeelden:
– Mage (मागे) – Achter
– Samor (समोर) – Voor
– Var (वर) – Boven
– Khal (खाली) – Onder
– Lavkar (लवकर) – Snel
– Halu (हळू) – Langzaam
– Aaj (आज) – Vandaag
– Udya (उद्य) – Morgen
Veelvoorkomende zelfstandige naamwoorden
Zelfstandige naamwoorden vormen de kern van de meeste zinnen. Hier zijn enkele veelvoorkomende zelfstandige naamwoorden die u moet kennen:
– Ghar (घर) – Huis
– Shala (शाळा) – School
– Kamakazi (कामकाज) – Werk
– Anna (अन्न) – Voedsel
– Pani (पाणी) – Water
– Viman (विमान) – Vliegtuig
– Dukan (दुकान) – Winkel
– Mitra (मित्र) – Vriend
Gezondheidswoorden
Als u naar een dokter moet of over uw gezondheid moet praten, zijn hier enkele nuttige woorden:
– Doktor (डॉक्टर) – Dokter
– Rog (रोग) – Ziekte
– Dukh (दुख) – Pijn
– Aushadh (औषध) – Medicijn
– Svasthya (स्वास्थ्य) – Gezondheid
– Aspatal (अस्पताल) – Ziekenhuis
– Tap (ताप) – Koorts
– Kharach (खरच) – Wond
Woorden voor eten en drinken
Eten en drinken zijn belangrijke onderdelen van elke cultuur. Hier zijn enkele Marathi-woorden die u in dit verband moet kennen:
– Bhakri (भाकरी) – Soort brood
– Bhaji (भाजी) – Groente
– Dudh (दूध) – Melk
– Chaha (चहा) – Thee
– Jevan (जेवण) – Maaltijd
– Misal (मिसळ) – Pittige snack
– Bhat (भात) – Rijst
– Pav (पाव) – Broodje
Reiswoorden
Reizen is een veelvoorkomende activiteit, en het kennen van de juiste woorden kan zeer nuttig zijn:
– Pravas (प्रवास) – Reizen
– Sthaanak (स्थानक) – Station
– Gadi (गाडी) – Trein
– Bus (बस) – Bus
– Rickshaw (रिक्षा) – Autoriksja
– Havaadda (हवाड्डा) – Luchthaven
– Ticket (तिकीट) – Ticket
– Margdarshak (मार्गदर्शक) – Gids
Voorbeelden van zinnen
Laten we enkele van de bovenstaande woorden in zinnen gebruiken om te zien hoe ze in context werken:
1. Namaskar! Tumhi kase aahat? (नमस्कार! तुम्ही कसे आहात?) – Hallo! Hoe gaat het met u?
2. Mi ghari ahe. (मी घरी आहे.) – Ik ben thuis.
3. Ti changli mulgi ahe. (ती चांगली मुलगी आहे.) – Zij is een goed meisje.
4. Mala pani hava ahe. (मला पाणी हवं आहे.) – Ik heb water nodig.
5. To lavkar yeto. (तो लवकर येतो.) – Hij komt snel.
6. Aapan shalet jao. (आपण शाळेत जाऊ.) – Laten we naar school gaan.
7. Mi doktor kade jaato. (मी डॉक्टर कडे जातो.) – Ik ga naar de dokter.
8. Tula chai hava ahe ka? (तुला चहा हवं आहे का?) – Wil je thee?
Conclusie
Het beheersen van deze Marathi-woorden en -uitdrukkingen zal u helpen om effectiever te communiceren op het B1-niveau. Blijf oefenen en probeer deze woorden in uw dagelijkse gesprekken te gebruiken. Onthoud dat taal leren tijd en toewijding kost, maar met consistentie en geduld zult u zeker vooruitgang boeken. Succes met uw studie!
