Het leren van een nieuwe taal kan een uitdagende maar ook een zeer lonende ervaring zijn. Als je begint met het leren van het Ests, is het handig om een basiswoordenschat te hebben die je in alledaagse situaties kunt gebruiken. In dit artikel bespreken we 50 essentiële woorden die je moet kennen voor het Ests op A1-niveau. Deze woorden zullen je helpen om eenvoudige conversaties te voeren en je begrip van de taal te vergroten.
1. Tere – Hallo
Een van de eerste woorden die je leert in elke taal is de begroeting. In het Ests is “tere” de meest gebruikte manier om “hallo” te zeggen.
2. Aitäh – Dank je
Een van de belangrijkste manieren om beleefd te zijn in een nieuwe taal is door te weten hoe je “dank je” zegt. In het Ests zeg je “aitäh”.
3. Jah – Ja
Een eenvoudig maar essentieel woord. “Jah” betekent “ja” in het Ests.
4. Ei – Nee
Het tegenovergestelde van “ja”, “ei” betekent “nee” in het Ests.
5. Palun – Alsjeblieft
Dit woord kun je gebruiken zowel wanneer je iets vraagt als wanneer je iets aanbiedt. “Palun” betekent “alsjeblieft”.
6. Vabandust – Sorry
Wanneer je een fout maakt of iemand wilt passeren, kun je “vabandust” gebruiken om “sorry” te zeggen.
7. Terviseks – Proost
Wanneer je met vrienden of familie een glas heft, kun je “terviseks” zeggen, wat “proost” betekent.
8. Hommik – Ochtend
Het is handig om de verschillende delen van de dag te kennen. “Hommik” betekent “ochtend”.
9. Päev – Dag
“Päev” betekent “dag” en kan in verschillende contexten worden gebruikt.
10. Õhtu – Avond
“Õhtu” betekent “avond”. Een nuttig woord voor wanneer je mensen ’s avonds tegenkomt.
11. Öö – Nacht
“Öö” betekent “nacht”. Bijvoorbeeld, “Head ööd” betekent “goede nacht”.
12. Kuidas? – Hoe?
Een van de basisvragen die je vaak zult gebruiken is “kuidas?”, wat “hoe?” betekent.
13. Mis? – Wat?
Een andere veelgestelde vraag is “mis?”, wat “wat?” betekent.
14. Kus? – Waar?
“Kus?” betekent “waar?” en is handig voor het vragen naar locaties.
15. Millal? – Wanneer?
“Millal?” betekent “wanneer?” en kan worden gebruikt in vragen over tijd.
16. Kes? – Wie?
“Kes?” betekent “wie?” en is essentieel voor het vragen naar personen.
17. Miks? – Waarom?
“Miks?” betekent “waarom?” en wordt vaak gebruikt om redenen of oorzaken te achterhalen.
18. See – Dit/dat
“See” kan zowel “dit” als “dat” betekenen, afhankelijk van de context.
19. Ma – Ik
“Ma” betekent “ik” en is een van de meest gebruikte voornaamwoorden.
20. Sina – Jij
“Sina” betekent “jij” en wordt gebruikt in informele situaties.
21. Tema – Hij/zij
“Te” of “tema” kan zowel “hij” als “zij” betekenen, afhankelijk van de context.
22. Meie – Wij
“Meie” betekent “wij” en is belangrijk voor het spreken in de eerste persoon meervoud.
23. Teie – Jullie/u
“Teie” kan “jullie” of “u” betekenen en wordt gebruikt in formele of meervoudige contexten.
24. Nad – Zij (meervoud)
“Nad” betekent “zij” in de derde persoon meervoud.
25. Suur – Groot
“Suur” betekent “groot” en kan worden gebruikt om objecten of mensen te beschrijven.
26. Väike – Klein
Het tegenovergestelde van “suur”, “väike” betekent “klein”.
27. Hea – Goed
“Hea” betekent “goed” en kan in verschillende situaties worden gebruikt.
28. Halb – Slecht
“Halb” betekent “slecht” en is het tegenovergestelde van “hea”.
29. Kuum – Warm
“kuum” betekent “warm” en kan worden gebruikt om het weer of voedsel te beschrijven.
30. Külm – Koud
“Külm” betekent “koud” en is handig voor gesprekken over het weer.
31. Ilus – Mooi
“Ilus” betekent “mooi” en kan worden gebruikt om mensen, plaatsen of dingen te beschrijven.
32. Kole – Lelijk
“Kole” betekent “lelijk” en is het tegenovergestelde van “ilus”.
33. Õnnelik – Gelukkig
“Õnnelik” betekent “gelukkig” en kan worden gebruikt om emoties te beschrijven.
34. Kurb – Verdrietig
“Kurb” betekent “verdrietig” en is handig voor het uiten van emoties.
35. Vesi – Water
“Vesi” betekent “water”, een essentieel woord voor het bestellen van drankjes of het praten over drinken.
36. Toit – Eten
“Toit” betekent “eten” en is essentieel voor gesprekken over maaltijden.
37. Tee – Thee
“Tee” betekent “thee”, een veelgedronken drank in Estland.
38. Kohv – Koffie
“Kohv” betekent “koffie”, een ander populair drankje.
39. Leib – Brood
“Leib” betekent “brood”, een basisvoedingsmiddel.
40. Piim – Melk
“Piim” betekent “melk” en is handig om te weten voor het ontbijt of bij de koffie.
41. Auto – Auto
“Auto” betekent “auto” en is handig voor het praten over transport.
42. Buss – Bus
“Buss” betekent “bus”, een veelgebruikt vervoermiddel.
43. Rong – Trein
“Rong” betekent “trein”, belangrijk voor langeafstandstransport.
44. Lennuk – Vliegtuig
“Lennuk” betekent “vliegtuig”, handig voor internationaal reizen.
45. Pood – Winkel
“Pood” betekent “winkel”, essentieel voor het winkelen.
46. Turg – Markt
“Turg” betekent “markt”, een plek waar veel mensen hun boodschappen doen.
47. Kool – School
“Kool” betekent “school”, belangrijk voor gesprekken over onderwijs.
48. Raamat – Boek
“Raamat” betekent “boek”, handig voor het praten over lezen of studeren.
49. Arst – Dokter
“Arst” betekent “dokter”, essentieel voor medische situaties.
50. Apteek – Apotheek
“Apteek” betekent “apotheek”, belangrijk voor het kopen van medicijnen.
Het beheersen van deze 50 woorden zal je een solide basis geven voor het leren van het Ests op A1-niveau. Naast het leren van woordenschat is het ook belangrijk om te oefenen met luisteren en spreken om je vaardigheden verder te ontwikkelen. Vergeet niet om regelmatig te oefenen en jezelf onder te dompelen in de taal door middel van muziek, films en gesprekken met moedertaalsprekers. Veel succes met je taalleerreis!