Exercice 1 : Les verbes modaux de capacité et d’obligation
2. Jij *moet* op tijd komen. (indice : obligation forte)
3. Wij *kunnen* morgen naar het park gaan. (indice : capacité possible dans le futur)
4. Hij *moet* zijn huiswerk maken. (indice : devoir impératif)
5. Jullie *kunnen* Nederlands spreken. (indice : capacité)
6. Zij *moeten* naar school. (indice : obligation quotidienne)
7. Ik *kan* niet naar het feest komen. (indice : incapacité)
8. Jij *moet* de dokter bellen. (indice : devoir important)
9. Wij *kunnen* snel lopen. (indice : capacité physique)
10. Zij *moeten* stil zijn in de bibliotheek. (indice : obligation de comportement)
Exercice 2 : Les verbes modaux de permission et de volonté
2. Jij *mag* niet roken hier. (indice : interdiction)
3. Wij *willen* graag koffie drinken. (indice : exprimer un souhait)
4. Hij *wil* later dokter worden. (indice : volonté professionnelle)
5. Jullie *mogen* mee naar het feest. (indice : permission accordée)
6. Zij *willen* niet naar school vandaag. (indice : refus)
7. Ik *mag* mijn telefoon gebruiken. (indice : permission)
8. Jij *wil* altijd winnen. (indice : désir fort)
9. Wij *mogen* een pauze nemen. (indice : permission temporaire)
10. Zij *willen* samen studeren. (indice : volonté collective)